kust

kust

Het Zomerlevengevoel

Hamburg, 2016. ©RH




















Deze zomer was ik bij een crematie. Het afscheid van iemand die ik ruim dertig jaar heb gekend. Het was prachtig weer. De grote, glazen deuren naar de achtergelegen begraafplaats stonden wijd open. De gesproken woorden waren mooi en intiem, de muziek ontroerend.

Maar alles stond haaks op het Zomerlevengevoel. Dat gevoel van eindeloze zomers. Die warme, zwoele bubbel uit de jeugd en jongvolwassenheid waaraan geen einde leek te komen. Waarin de dood niet bestond, de jeugd eeuwig was en het gelukzalige heden voortdurend in de toekomst overliep terwijl de tijd stilstond.

De bubbel bleek illusie. Meer een romantisch-melancholisch verlangen dan realiteit – diep van binnen wisten we dat wel, ook al waren we jong. Maar door de onwetendheid van de jeugd die de schrijnende kant van het leven nog niet tot in zijn vezels had leren kennen, mocht hij nog even duren. Hij is langgeleden doorgeprikt, die bubbel. De crematie drukte de neus weer eens op de feitelijkheid van de tijdelijkheid.

Dit besef van tijdelijkheid en eindigheid van het fysieke bestaan werd doordrongen door een ander besef. De twee doorkruisten elkaar als het ware, terwijl ze samen toch een eenheid vormden: het besef van doorgaande verandering. Van leven dat doorgaat ondanks verlies. Dit rondde de scherpe kanten van opgekomen verdriet: gepolijst verdriet. Een besef van heelheid in gebrokenheid. Niet het romantisch verlangen van het Zomerlevengevoel, maar een wrangzoete, purperrode werkelijkheidsbeleving waarin verdriet en vreugde niet van elkaar te scheiden zijn – zoals siroop en water.

Die doorgaande levensbeweging werd heel tastbaar toen de zoon tijdens de bijeenkomst over zijn overleden vader sprak. En tijdens de reünie van vrienden die op de eigen sterfelijkheid waren gewezen, maar die na afloop ook – het glas heffend op de overledene – ingetogen het doorgaan van leven vierden. Een dubbelheid voor het schurend verstand, maar in de werkelijke beleving van het samenzijn een vanzelfsprekende eenheid. Vreugdeverdriet? 

Hakim weet niets – de dichter van de Vismarkt


De Vismarkt in Utrecht














Hakim schrijft gedichten. Gedichten die ontroeren zoals de gedichten die mijn dochters schreven toen ze het schrijven net onder de knie kregen, vaak met een kriebelig tekeningetje erbij. De schrijf- en spelfouten hoorden in hun gedichten, waar zo’n open en oprechte kijk uit kon spreken, dat ze mij net zo diep konden raken als ‘heilige’ boeken dat kunnen.

Met de gedichten van Hakim is het net zo. Ik zie hem regelmatig rond en op de Vismarkt. Dat stukje Utrecht lijkt zo’n beetje zijn woonkamer. Ik schat hem rond de zestig, maar weet nagenoeg niets van hem, behalve dat hij uit Marokko komt en al zo’n veertig jaar in Nederland leeft – als ik het me goed herinner.

Onlangs kocht ik zijn laatst verschenen dichtbundel, een stapeltje niet al te best gekopieerde A-4tjes, geperforeerd en met een kleurig cadeaulintje samengebonden. Voor vijf euro waren ze van mij. Sindsdien heeft hij mij alweer aangesproken met de vraag of ik zijn gedichten wil kopen, maar ja, ik heb ze al en zeg: ‘Als je weer een nieuwe bundel hebt, dan koop ik hem zeker.’ Wat ik ook zal doen. Want zoals gezegd, Hakims gedichten ontroeren (en inspireren) me.

Hakim weet niets, tenminste, dat schrijft hij bij veel van zijn gedichten: ‘Hakim ik weet niks’ (zonder interpunctie). En dan komt het. Als een wijze monnik of mysticus die zich volledig heeft ontledigd van zijn ikkigheid en zich heeft opengesteld voor de aanwezigheid van God in zichzelf, beschrijft hij wat hij doorleeft, ziet en beseft. Soms vrolijk, soms verdrietig. 

Gedicht 2 
Zoveel tranen, ik ben toch vergeten wat zij hebben gezegd
O mijn god ik heb zoveel verteld maar niemand die mij serieus neemt
O mens hoe lang wil je nog voor de waarheid vluchten.
Gedraag je je wijs rechtvaardig want de zeeën is een druppel
Ik ben vertrokken. 

En daar gaat ie. Tas over de schouder, trage pas, ietwat sjokkend maar niet zielig. Naar de volgende om zijn gedichten te slijten. Ik weet niet of hij volledig buiten leeft en ook slaapt, maar vermoed van niet. Hij heeft een problematisch verleden, dat lees ik tenminste terug in zijn gedichten: verdriet, gebroken hart, psychiatrische inrichting, medicijnen, familie achterlaten. Een persoonlijk drama, zoals wij dat in meer of mindere mate allemaal kennen.

Hoe beschermd we ook zijn opgevoed en hoe we ook verlangen naar een leven zonder hobbels, tot de dood proberen jong, gezond en fit te blijven tot een vlekkeloos einde erop volgt, de tocht door de woestijn maken we allemaal op de een of andere manier. Maar hoe verhouden we ons ertoe en hoe komen we eruit? Bitter? Nihilistisch? Wantrouwend? Rijper? Rijker? Vertrouwend? Gelauwerd?

‘Hakim weet niks.’ Zijn uitspraak en manier van leven doen me denken aan de Bestijging van de berg Karmel, van de grote mysticus, monastiek hervormer, kerkleraar en dichter Johannes van het Kruis (1542-1591): 

Om te komen tot wat ge niet weet, moet ge gaan langs waar ge niet weet…
Wilt ge ertoe komen alles te weten, wens dan in niets iets te weten…
Zodra ge staan blijft bij iets, houdt ge op naar het Al te streven.
Want om van alles tot het Al te komen, moet ge u geheel en al van alles ontdoen.
Wanneer ge ertoe gekomen bent het Al te bezitten,
moet ge het bezitten zonder iets te verlangen. 

Zo bestijg je de berg waar, aldus Johannes van het Kruis ‘alleen de glorie en de eer van God wonen’. Maar waarom zou je dat doen?
Johannes: 

In deze ontbloting vindt de geest rust en vrede;
omdat hij niets begeert, drijft niets hem naar boven
en drukt niets hem naar beneden.
Hij rust in het middelpunt van zijn nederigheid…
Sinds ik mij in het niets heb gesteld, vind ik dat mij niets meer ontbreekt. 

Hakim weet niks. Hij leeft van manna dat je niet kunt bewaren: 

Ik wil niet rijk worden
Ik wil vandaag wat verdienen
En morgen opnieuw.
Ik bewaar wat voor eten
Voor te roken
Niet voor te drinken
Ik zeg je mensen van Utrecht
Veel plezier
Veel langzaam leven
En ga door met leven
En over dertig jaar gaat niet kort gaat niet lang
Blijft hetzelfde
God bepaald, Hakim bepaalt niets. 

Nee, want Hakim weet niets.

Onwankelbaar


Beatrixpark, Utrecht. ©RH


















Onwankelbaar

Niet in
            mijn gedachten
                    gevoelens
                    stemmingen
                    lichaam
 maar in          
                   de volheid
                   de leegte
                   het komen en gaan
van     
                   gedachten
                   gevoelens
                   stemmingen
                   vormen

In de onvermijdelijke werkelijkheid
van onwankelbare verandering  

Onverschillige betrokkenheid




















Misschien denkt iemand bij onverschillige betrokkenheid aan ‘niet(s) om een ander geven’, ‘alleen aan jezelf denken’, aan een egoïstische of egocentrische levenshouding.
Maar zo is het niet bedoeld.

Met onverschillige betrokkenheid bedoel ik eerder: geven dat niet het tegenovergestelde is van nemen, ontvangen, krijgen. Dit geven, deze onverschillige betrokkenheid, is het vanzelfsprekende uitvloeisel van bewogen worden. Van meebewegen in de onlosmakelijkheid die de werkelijkheid is en waarin niemand is die zelf beweegt.

Er is niemand om te geven, maar slechts geven.
Niemand om te ontvangen, maar slechts ontvangen.
Dit bewegingsloze kaatsen van de bal kent geen hechting aan de beweging zelf –
niet aan het geven en niet aan het nemen,
niet aan de gever en niet aan de nemer.
Het bewegingsloze, het kaatsen, de kaatser, vanger en bal, zijn de bewegingsloze beweging.

Onverschillige betrokkenheid is onvermoeibaar betrokken op het Zelf,
dat zelf en ander omspant en overstijgt en moeiteloos zichzelf zoekt, vindt, geeft en neemt.

Dien het Zelf en je dient de ander.
Dien God en je dient de wereld.

Onverschillige betrokkenheid is een buigzaam leven,
dat niet slijt onder de druk van opgelegde dienstbaarheid. 
Beschikbare openheid, zo zou je het ook kunnen noemen.








De raad in het hart


Museum Oud Amelisweerd, ©RH

















De raad in het hart van een man is als diepe wateren, 
maar iemand met inzicht zal hem naar boven halen.*


De Bijbel ligt al een tijdje opengeslagen op tafel. Op bladzijde 995. Al weken is het een terugkerende mantra: De raad in het hart van een man is als diepe wateren, maar iemand met inzicht zal hem naar boven halen. Ik lees het niet als metafoor, als een manier van spreken. Tijdens het lezen en uitspreken vindt herkenning plaats: ja, dat is waar.
Maar waarom? Waarom ervaar ik dat zo?

Dit besef van herkenning is niet de uitkomst van een rationele afweging, van mijn denkgeest. Die stelt juist de waaromvraag. Hij probeert uit te pluizen, te ontleden wát in mij deze woorden direct beaamt zonder hem eerst te raadplegen. Zo van: ‘Wacht even, dat gaat zo maar niet. Alles wat hier binnenkomt wordt eerst door mij gewikt, gewogen en te licht, goed, of te zwaar bevonden.’ Die directe beaming, daar kan de denkgeest helemaal niets mee.

Maar toch is het hart de plek waar ik me in tijden van twijfel, onzekerheid en bij het nemen van grote beslissingen op richt. En eigenlijk steeds vaker ook tijdens gewone, alledaagse momenten, in contant met anderen of wanneer ik dreig een stokpaardje te berijden – zo’n bekende groef waarin je op de jouw bekende manier de dingen doet, terwijl je tegelijk, uit ervaring, weet dat daar de oplossing niet ligt.

Als je even een stap terugdoet, rustig ademt en van je hoofd, die springende apengeest, afdaalt naar het hart, dan bevind je je in het rustige water onder de heftige branding. Keer terug naar boven en je wordt weer meegesleurd. Daal af en het wordt weer rustiger. In die luwte kun je leven met de vraag. Of met het ongemak, het leed, of het niet-weten. Het hart omhult het allemaal. Koestert wat er is en pluist het niet uit zoals de denkgeest, de analytische geest met zijn plussen en minnen, gewoonlijk doet – waarbij de plussen vaak samenvallen met de korte termijn van het eigenbelang.

De raad (…) is als diepe wateren. Onder de oppervlakte der dingen. Afdalen dus. En dan is daar raad. Advies. Hulp. Leiding. En dit alles in de vorm van een zacht voelen. Of een fysiek gevoelde, warme uitstraling. Of fluisterwoorden. Wie deze raad gewaarwordt, komt tot inzicht en kan hem inzetten in het dagelijks handelen.

Dit gewaarworden vraagt alertheid, onderscheidingsvermogen, eerlijkheid en moed. Want voor je het weet laat je je meenemen door gedachtesprongen die ó zo logisch over kunnen komen en tot conclusies leiden die, maatschappelijk gezien, ó zo voor de hand liggen. Het vraagt vaak eerlijkheid en moed om hier niet meteen in mee te gaan. Om de tijd te nemen en gehoor te geven aan het knagen, omdat wat je ook bedenkt geen bevrediging schenkt. Of aan het verlangen naar waarheid of liefde, dat zich tegen de keer zachtjes aandient.

De heelheid van het hart heeft een eigen antwoord. In de ontlediging van het denken openbaart zich het liefdevolle mededogen dat een veel verziender en diepgaander blik heeft dan het nee/ja-, maar/toch-, als/dan-denken. Wanneer het hart zich door middel van een woord, gevoel, gewaarwording heeft laten kennen, kan het verkregen inzicht zich na rijping – voor alles is een tijd – in de wereld uitdrukken.

Dan kan het zijn dat je Egypte verlaat. Dat de vleespotten hun bekoring hebben verloren en dat de trek in de woestijn het enige mogelijke antwoord is. Je gaat en je weet niet of je bij het zetten van de volgende stap nog grond onder de voeten hebt. Onbekend terrein, de fluistering achterna. Een ander kan je voor gek verklaren, maar jij hebt haar gehoord, gevoeld. Je kijkt om en bezwijkt bijna aan de verleiding. Maar nee, toch niet, want je daalt af naar het hart en je hoort haar weer. Daar is geen twijfel, ondanks het mogelijke ongemak als gevolg van de gemaakte keuze. Ondanks de twijfelsprongen van de denkgeest. Ondanks de angst die de keel toeknijpt. In dat alles, onder dat alles, is de kloppende omarming die de richting wijst. En in het gaan vormt zich het pad.


*Bijbel, Herziene Statenvertaling, Spreuken 20: 5, Uitgeverij Jongbloed, Heereveen, 2012.


Beter kijken


De Uithof, Utrecht ©RH


















Niets is, dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen*


Nee. De titel boven dit stukje is geen sluikreclame voor een nieuwe brillenketen. Zou op zich geen slechte naam zijn. Maar dan moeten we wel eerlijk blijven en als de winkel toch niet zo goed blijkt de naam veranderen in Goed kijken of misschien zelfs Slechter kijken. Want wie wil er leven in een wereld vol loze kreten?

Je zou vaker beter moeten kijken, is wat ik dacht toen ik op het station stond te wachten. Ik hoorde het harde koeren van een Turkse tortel – de tortelduif die bij ons heel algemeen is. Hij zat onder de overspanning op een steunbalk en vloog even later vlak voor mijn voeten op de grond. Hij – ik vermoed dat het een mannetje was – scharrelde wat rond en pikte naar dingetjes die hij voor voedsel hield en ik voor oneffenheden in de betontegels, kauwgum en sigarettenfilters. Hij was duidelijk gewend aan mensen.

Zo sierlijk en mooi! Eigenlijk maar één kleur. Een soort beigegrijs, maar in talloze schakeringen en met een zweem van roze. De donkere iris in het oplettend oog, mooi contrasterend met de witte oogrand. En de zwarte, wit omrande halsband in zijn nek, alsof een kunstige Japanse kalligrafeerder met deze zwier zijn werk had afgemaakt – zijn Engelse naam is trouwens collared dove en zeker, ‘gekraagde tortel’ was in het Nederlands ook geen gekke naam geweest.
Maar ook de structuur van zijn verendek: de fijnheid op de borst – die wíl je strelen – de grovere marmering op de vleugeldekveren, het contrast met de zwarte handpennen en daaronder de lichtere staart. Een vogel waar je zo aan voorbij loopt omdat hij zo alledaags lijkt en zo veel voorkomt, maar als je beter kijkt…

Langer geleden liep ik met mijn oudste dochter over straat. Voor een schoolproject moest ze foto’s maken van haar woonomgeving. Op een gegeven moment zegt ze: ‘Ik moet dit vaker doen, ik zie alles met nieuwe ogen.’ Hoe vaak liep en fietste ze niet door deze straat. En nu is alles nieuw. Ik zag wat het met haar deed. Ze sprankelde, was vol verwondering en zag de schoonheid in gewone dingen: een bakstenen muur, was drogend in de wind, een stoeprand, het lijnenspel tussen twee huizen. Beter kijken. Of misschien: echt kijken – zo zou ik mijn brillenketen dan weer niet noemen.

Er gebeurt iets bij deze manier van kijken. De dingen worden niet zoals doorgaans meteen benoemd en er is niemand die ze benoemt. Er is kijken. Direct kijken – hoe kort ook – dat het onderscheid tussen de dingen oplost. En verwondering. Echt kijken is verwondering. Dit kijken ligt vóór het moment van namen geven. Bij de benoeming ontstaat het onderscheid en verdwijnt de verwondering, dan gaan we over tot de dingen van de dag. Dat is praktisch en ook nodig in de wereld, maar zonder die andere, vrije blik, toont deze materialistische kijk de dingen van alleen hun platte kant. De diepere, meervoudige dimensie is eruit.

Hoe vaak kijk ik niet echt? Hoe vaak loop ik voorbij aan een Turkse tortel, het lijnenspel van zon en baksteen, een ander mens? Hoe vaak zie ik wat ik denk te zien in plaats van wat er werkelijk is? En dit geldt niet alleen voor de blik naar buiten, maar ook voor die naar binnen. Echt kijken beperkt zich namelijk niet tot het fysieke zien. Het bedient zich van de ogen bij de blik naar buiten, bij de blik naar binnen heeft het die niet nodig.

Echt kijken omvat wat er is en dringt door in wat er is. Het is ontledigd van ieder beeld. Levend. Sprankelend. Verwonderend. Zonder nutsgedachte. Zonder voorkeur. Zonder afkeer. Het ligt voorbij de namen. Wie voorbij de namen kan kijken, kan goed met namen leven, want hij weet: de naam is niet het ding. Alles en iedereen is oneindig groter dan zijn naam. Onkenbaar groter.

Deze tekst is eerder gepubliceerd in Inspiratie Magazine  no. 5 - 2017

*Uit: Ik ga maar en blijf, J. C. van Schagen – gekozen en ingeleid door Ingmar Heytze, uitgeverij G. A. van Oorschot. Dit zijn de openingsregels van zijn gedicht ‘Narrenwijsheid’.

Verbinding


Een wolk drieteenstrandlopers















 

Bij mijn portret

 

Ontmoeting en afscheid,

We komen en gaan – harten als voorbijdrijvende wolken.

Wat overblijft zijn lijnen van kwast en inkt,

van de vluchtige, menselijke banden nauwelijks nog een spoor.

Ryokan (1758-1831), Japans zenmeester en dichter*

Hoeveel mensen heb ik in mijn leven gekend – al dan niet goed of intiem – die er ook weer uit verdwenen. Andere interesses. Verminderde gemeenschappelijkheid. Verdwenen liefde. Verhuisd. Dood. Hoeveel zullen er nog komen? We ontmoeten en nemen afscheid. Komen, samenzijn, gaan.

En toch. Maar toch. Het is geen los zand. Iets blijft. Lijnen van kwast en inkt. Mensen met wie ik me verbonden voel of voelde, mensen die indruk maken en maakten – ook als ze fysiek uit mijn leven zijn verdwenen – draag ik in mij mee. De verbondenheid blijft. Het residu van de verhouding ligt in mij en als het licht van aanwezigheid erop schijnt, komen de persoon en de verhouding direct tot leven. Hier en nu. Tot het licht zich zonder een spoor achter te laten op iets anders richt.

Verbinding gaat dwars door de vorm – essentie raakt essentie. Levend persoonlijk contact is verbinding, intiem en direct. Dit vormgeven in het dagelijks leven kan weerbarstig zijn. Verbinding voorbij sentiment, waarden en normen, de conventies van de dag, hoe het hoort en niet hoort, bloedbanden, eigen voorkeur en afkeer; van essentie tot essentie. Zonder opgave van de eigenheid en zonder vastklampen aan halsstarrigheid. Hoe open en aanwezig ben ik? Hoe schoon en zuiver is het oor dat luistert, de mond die spreekt en de hand die aanraakt? Schuilt er een belang achter een gedachte, woord, gebaar? Een verborgen drijfveer? Wat is de intentie? Is er een intentie?

Een open gedachte. Een open woord. Een open gebaar. Verbinding tussen mensen: openheid waarin de eigenheid niet wordt opgegeven. Die grote openheid ís de omhelzing, ontdaan van sentiment. Deze verbinding die er van nature is wanneer de benauwenis van de eigensturing – al dan niet tijdelijk – verdwijnt. Die eigensturing lijkt richting en houvast te bieden, maar doolt in wezen cirkelend rond in het gekende. In de beslotenheid van het gekende waarin verbinding onmogelijk is. Zie de tijger in zijn kooi, de goudvis in zijn kom. 

Voorbijdrijvende wolken. Een komen en gaan in het licht van aanwezigheid. Zonder een spoor achter te laten. We zijn aanwezig bij wat oplicht. Bij wie oplicht. Nu. Hier. Licht weerkaatst en verblindt binnen de besloten schil van het gekende, maar doorstraalt de immense ruimte van openheid en schijnt op alles wat het tegenkomt. In ons, buiten ons. Van moment tot moment voortdurend verbonden met wat is.


*Vertaling Ronald Hermsen

Open geheimen


‘Er is geen verborgen Waarheid,
slechts waarheden die we weigeren te erkennen.
Waarheid ondermijnt het zelf
waaraan wij ons zo wanhopig vastklampen.
De Waarheid is niet voor ons verborgen.
We verbergen ons voor haar.’











Geschenken, al dan niet in vermomming, komen vaak uit onverwachte hoek en op onverwachte momenten, is mijn ervaring. Geschenken in alle gedaanten: mensen, plekken, situaties, inzichten, gevoelens en ook materiële zaken. 
In mijn persoonlijk leven waren er ook enkele boeken die zo maar ‘kwamen aanwaaien’ en die ik ben blijven koesteren. Laat het verleden los van Jiddu Krishnamurti was zo’n boek. Ik was vierentwintig en had het uit de bibliotheek meegenomen zonder ooit van de man gehoord te hebben. Geen idee waarom ik het toen van de plank heb gepakt. Maar het was wel het eerste boek waarvan ik vond: dit gaat over mij! Ik ben niet gek! Een keerpuntboek.

Veel later, eind jaren 1990, kreeg ik zo’n dertig flodderige kopietjes van iemand. Van wie weet ik niet meer, wel dat het van iemand uit de kring rond Hans Korteweg – mijn toenmalige leraar – was. Het bleek een boekje met als titel Open Secrets – The letters of Reb Yerachmiel Ben Yisrael, vertaald en geredigeerd door Rami M. Shapiro. Ik las het in één ruk uit. En ik bleef het regelmatig herlezen en kopiëren voor anderen.
Bijna twintig jaar later vroeg ik de uitgever van uitgeverij Samsara, waar ik als zelfstandige voor werk, of dit boekje niet mooi in het fonds zou passen. Het idee viel goed en ik mocht het zelf vertalen. En nu is het er: Open geheimen. Een juweeltje voor in de binnenzak.

Het boekje bevat diepzinnige brieven van de fictieve, Oost-Europese chassidische rebbe Yerachmiel Ben Yisrael aan Aaron Heschel, de overgrootvader van de auteur. Alle grote levensvragen – over de dood, de ziel, goed en kwaad, de zin van het leven – komen aan bod in een taal die het specifiek joodse idioom grotendeels vermijdt. Het woord God staat centraal, maar wordt zo gebruikt dat het voorbijgaat aan alle kinderdenkbeelden die de mens kunnen knechten of valse hoop geven. Hier gaat het direct over de ultieme scheppingskracht die alles bewerkstelligt en in alles doorwerkt en die we (dus) ook in onszelf door kunnen laten werken door leeg te worden van het zelf. De heldere, religie overstijgende woorden in Open geheimen, grenzen aan de diepste taal van de ziel, de taal van de stilte, en raken de non-dualistische kern van de kabbala, de joodse mystiek.  

Rami Shapiro 
Maar wie is die Rami M. Shapiro (1951), die zogenaamde vertaler en redacteur? Hij bleek de schrijver van deze fictieve brieven, een rabbijn, prijswinnend dichter en bestsellerauteur. Hij groeide op in Massachusetts (VS), in een modern, orthodox joods gezin. Op de middelbare school bestudeerde hij de wereldreligies en op zijn zestiende werd hij een serieuze zenbeoefenaar. Vervolgens studeerde hij filosofie aan de University of Massachusetts, waar hij tevens privéles kreeg in de Bhagavad Gita. Tijdens een uitwisselingsjaar ging hij naar Tel Aviv, hier verdiepte hij zich verder in de joodse filosofie en met name in het werk van Martin Buber. Terug in de VS studeerde hij Buddhist Studies aan Smith College en in 1973 rondde hij zijn studie filosofie aan University of Massachusetts af. Later, op Hebrew Union College, combineerde hij zijn liefde voor het jodendom met zijn passie voor zen, taoïsme en advaita vedanta.

Het boekje Open Secrets vindt zijn oorsprong in een inspiratieloze, eenzame periode in het leven van rabbi Shapiro. Hij bezocht zijn geestelijk leraar rebbe Zalman Schachter Shalomi en vroeg hem om raad. Shapiro kreeg een onverwacht antwoord: ‘Je werk voor joodse mensen is klaar. Je hebt hen gezegd wat je te zeggen hebt. Je voelt je nu zo levenloos, omdat je jezelf herhaalt. Je moet verder(…) Ik stel voor dat je de joodse leer aanbiedt aan mensen die ervan willen leren zoals ze ook van het boeddhisme of soefisme willen leren. Creëer een jodendom voor iedereen, niet alleen voor joden.’ Wat mij betreft is dat met dit grens- en religie overschrijdende boekje gelukt. Op zijn website schrijft hij: 

Ik beschouw de verschillende religies als talen: geen enkele taal is goed of slecht. Alle talen zijn door mensen gemaakt. Ze weerspiegelen en vormen de beschaving die de taal spreekt. Sommige dingen kun je in de ene taal wel zeggen, en in de andere niet of minder goed. Hoe meer talen je leert, hoe genuanceerder je gedachten over het leven worden. Het jodendom is mijn moedertaal, maar als het over geestelijke zaken gaat, probeer ik meertalig te zijn. Maar de diepste taal van de ziel blijft uiteindelijk toch de stilte. 

De tweede brief uit het boekje 

Mijn beste Aaron Hershel,

Je vraagt me over God. Of ik het Naamloze wil definiëren, of ik het ultieme geheim in de palm van je hand wil leggen. Denk niet dat dit ergens ver van je vandaan verborgen ligt. Het ultieme geheim is zo open als maar kan. Hier komt het: God is Alles. 
Ik ben geneigd hier te stoppen, deze brief nu af te sluiten, mijn naam eronder te zetten en het bij deze eenvoudige waarheid te laten. Maar ik ben bang dat je het niet zult begrijpen. Je dient wel te beseffen dat alles wat nog komt slechts een verdere uitwerking is van het simpele feit dat God Alles is.
Wat wil dat zeggen ‘Alles zijn’? God is de Werkelijkheid. God is de Oorsprong en Substantie van alle dingen en Hij is niets. Er is niets – geen enkel ding, gevoel of gedachte, zelfs het idee dat er geen God is – dat niet God is. ‘Alles zijn’ wil namelijk zeggen dat God zelfs zijn eigen ontkenning omarmt.
Luister goed: God is de Oorsprong en Substantie van alles. Er is niets buiten God. Zo staat er geschreven: ‘Ik ben God, er is geen ander [ain od]’ (Jesaja 45:5). Lees hier in plaats van ‘geen ander’ liever ‘niets anders’ – lees niet: er is geen andere god naast God, maar er is niets anders dán God.
Ik zal je een voorbeeld geven. Vannacht heeft het heel hard geregend en de straat was een en al modder. Ik liep vanmorgen naar het beet midrasj (leerhuis) en stopte om naar een groepje kinderen te kijken dat met de modder aan het spelen was.  Ze hadden helemaal geen last van alle nattigheid en maakten tal van modderfiguren: huizen, dieren, torens. Uit hun gesprekken kon ik opmaken dat ze al die verschillende vormen een eigen identiteit en naam gaven, en er een heel verhaal omheen maakten. Voor zolang het duurde leidden die modderfiguren een onafhankelijk bestaan. Maar het bleef natuurlijk alleen maar modder. Van oorsprong waren ze modder en hun substantie was modder. Vanuit de kinderen gezien hadden de modderfiguren allemaal een afzonderlijk zelf. Vanuit de modder gezien was duidelijk dat die onafhankelijke zelfstandigheid een illusie is, alle figuren bestonden gewoon uit modder.
Met ons en God is het precies hetzelfde: ‘Adonai is God in de hemel boven en op de aarde beneden, er is geen ander’ (Deuteronomium 4:39). ‘Er is geen ander’ wil zeggen dat er in de hemel en op aarde niets anders is dan God.
Is dat mogelijk? Als ik naar de wereld kijk, zie ik God nergens. Ik zie verschillende soorten bomen, allerlei verschillende typen mensen, huizen, velden, meren, koeien, paarden, kippen, enzovoorts, enzovoorts. In die zin ben ik net als die spelende kinderen, ik zie echte figuren en niet gewoon modder.
Waar bevindt God zich dan in dit alles? De vraag zelf is misleidend. God bevindt zich niet ‘in’ dit alles. God ís dit alles.
Denk goed na over wat ik heb gezegd. Het is de sleutel tot alle geheimen van het leven.

B’sjalom


Kalm gemoed - een dzogchen-perspectief




Kijk onbevangen naar wat ook verschijnt, op het moment dat het verschijnt. Door te ontspannen in deze staat, treedt gewaarzijn op, zonder dualiteit, in zichzelf bevrijd.  
(Longchenpa, 1308-1363)
                                                                                           
Dzogchen betekent letterlijk ‘grote volmaaktheid’. Het wordt binnen het Tibetaans-boeddhisme als de meest verheven leer beschouwd, een methodeloze methode, die direct tot realisatie of bevrijding leidt. Dzogchen gaat over de directe introductie tot en het verblijven in ‘oorspronkelijk gewaarzijn’, dat altijd, van het eerste begin, aanwezig is geweest.

Een belangrijke dzogchen-oefening is ‘zelfbevrijding’. Hierbij wordt alles wat in de ervaring opkomt gelaten zoals het is, zonder dat de denkende geest ermee aan de haal gaat, er iets ingewikkelds van maakt, zonder iets te willen ‘hebben’ en zonder iets af te wijzen. Dan verblijven we in ‘oorspronkelijk gewaarzijn’, waarin alles wat we ervaren opkomt, gezien en met rust gelaten wordt. Doordat de geest niet meegesleept wordt door wat zich aandient, maar gegrondvest blijft in de helderheid van dit gewaarzijn, dat (letterlijk!) zo weids en onbegrensd is als de hemel, kun je spreken van een kalm gemoed of een vredige geest.

De oefening in zelfbevrijding kun je zien als een formele meditatiebeoefening, maar dit hoeft niet. Uiteindelijk is het dagelijks leven de oefening en kunnen we ‘zelfbevrijding’ oefenen onder alle mogelijke omstandigheden. Wel is het zo dat dit om te beginnen eenvoudiger is wanneer je je goed en ontspannen voelt, dan wanneer je gestrest bent of je in een crisissituatie bevindt.


Meditatie en zelfbevrijding
We oefenen om, ook wanneer gedachten opkomen, in dit oorspronkelijk gewaarzijn verblijven, omdat deze gedachten dan niet het vermogen en de kracht hebben om ons af te leiden en te schaden. Gedachten mogen net als voorheen oprijzen, omdat dit de natuurlijke activiteit van de geest is.
Hier volgt de vertaling van een tekstgedeelte uit het boek The Golden Letters,* dat deze oefening goed beschrijft:

‘Bij de beoefenaar worden de gedachten die oprijzen niet beïnvloed door oordelen of andere mentale processen. Gedachten blijven slechts “ornamenten” van de ware aard van de geest [oorspronkelijk gewaarzijn]. Oorspronkelijk gewaarzijn is als de spiegel die al deze drukke mentale activiteit reflecteert. Dit gewaarzijn is onbevooroordeeld, hecht zich niet en wordt niet door de activiteit beïnvloed. Zoals een oude man die, zittend in een park, naar spelende kinderen kijkt.’
Dit gewaarzijn neemt onze zintuiglijke indrukken, gedachten en gevoelens waar, zonder er iets mee te doen. Het is volkomen helder en onbevooroordeeld. Je kunt er iets van ‘proeven’ door jezelf de vraag te stellen: ‘Wat is het dat deze gedachte waarneemt?’ ‘Wat is het dat de boom buiten mijn raam ziet?’ ‘Wat voelt deze emotie?’ Door bij de vraag te blijven is het mogelijk om de ruimte te ervaren waarin een gedachte, zintuiglijke indruk of emotie zich voordoet. En ook dat deze ruimte niet aangetast wordt door wat zich erin afspeelt.
Wanneer we beseffen dat geen enkele beweging van gedachten, hoe heftig ook, deze serene ruimtelijke staat zo stralend als de hemel, aantast, dan hoeven we niet langer overweldigd te worden door ongunstige of vijandige omstandigheden – en met name door onze interpretatie (= denken en voelen) ervan.


Het oprijzen van gedachten wordt de meditatie
‘Wanneer we,’ vervolgt de tekst van The Golden Letters, ‘uit gewoonte langere tijd op deze manier oefenen, wordt het louter oprijzen van gedachten de meditatie zelf. Het maakt geen verschil of gedachten al dan niet oprijzen. De grenzen tussen de kalme staat en de beweging van gedachten storten volledig in. De beweging van gedachten wordt nu direct gezien als onbeschrijfelijk licht, de manifestatie van de transparante helderheid van [oorspronkelijk gewaarzijn] (…) Beweging komt nu op als directe en onmiddellijke kennis (gnosis) die overal direct in doordringt en niet langer als onsamenhangende of discursieve gedachten die van zichzelf begrensd en beperkend zijn. Gedachten manifesteren zich op ongedwongen en natuurlijke wijze als deze direct doordringende kennis, zonder een tussenkomend proces dat onzuiver (…) zicht transformeert in zuiver zicht (…).
Niettemin kan het voor de buitenstaander lijken alsof de geest [van zo iemand] een normale geest is, omdat heel gewone, alledaagse gedachten blijven opkomen. Niet alles is nu ineens goedheid en licht.
De beoefenaar blijft verlangen, hongeren en een stoelgang hebben zolang hij een fysiek lichaam (…) heeft. Ook al schijnt de ochtendzon op de gletsjer, het ijs smelt niet direct. Vergelijkbaar manifesteren alle kwaliteiten van verlichting zich niet onmiddellijk, ook al heeft de geest verlichting gerealiseerd. Maar terwijl de doorsnee mens altijd probeert om gedachten te creëren of onderdrukken en zo doorgaat met het verzamelen van energie die verbonden is met onbewuste impulsen, realiseert de beoefenaar de bevrijding van diezelfde gedachten precies op het moment waarop ze opkomen.’


Tekening op water
Hier sleutelen we dus niet aan onszelf. We piekeren niet en mediteren niet om een beter of ander mens te worden. De bewegingen van gedachten worden hier zodra ze opkomen herkend als ‘onbeschrijflijk licht, manifestatie van de transparante helderheid’ – waarin we ons dus kunnen grondvesten. De bewegingen van die gedachten veroorzaken geen schade omdat ze niet langer gestuurd worden door een persoonlijke drijfveer. Ze lossen vanzelf op, als een tekening op water, als condensatiestrepen van een vliegtuig aan een heldere hemel.

*Deze tekst is een vertaling (©RonaldHermsen) van tekstgedeelten van blz. 112-113 uit het boek The Golden Letters, John Myrdhin Reynolds, Snow Lion Publications, 1996.

De weg naar eenwording


‘Geef volle aandacht aan jezelf! Er is in jezelf genoeg materie aanwezig waarvoor je zorg moet dragen. Verwijder uit de blik van je uitwendige ogen wat je ontwend was nog langer te bekijken; verwijder uit de aandacht van je innerlijke ogen wat je ontwend was te beminnen.’

Eerst iets over Willem van Saint-Thierry (ca. 1075-1148), schrijver van bovenstaand citaat. Hij was een tijdgenoot en goede vriend van Bernardus van Clairvaux (ca. 1091–1153), maar stond altijd in diens schaduw. Zo is zijn bekendste geschrift, de Gulden Brief, gericht aan de broeders van het kartuizerklooster van Mont–Dieu in de Franse Ardennen, waarschijnlijk zo bekend geworden omdat het in het verleden aan Bernardus werd toegeschreven.

Het is niet terecht dat Willem van Saint-Thierry zo in de schaduw is gebleven. Hij was een zeer erudiete monnik, eerst benedictijn en later net als Bernardus cisterciënzer. Willem en Bernardus vonden elkaar in de religieuze herleving tijdens de twaalfde eeuw. De mens begint zich in die tijd bewust te worden van zijn individualiteit en ontdekt zijn emotionele en intellectuele vermogens. Als kind van zijn tijd herkent Willem deze tijdgeest en schenkt in zijn geschriften veel aandacht aan zelfkennis, wat wel blijkt uit bovenstaand citaat uit zijn Gulden Brief. 

Volle aandacht
Willem pleit voor inkeren tot jezelf en onbevangen je licht laten schijnen op wat zich in je voordoet aan gedachten, gevoelens, emoties en lichamelijke gewaarwordingen. Hierbij richt je je niet langer op de geneigdheden – zowel uiterlijke als innerlijke – waarvan je ten diepste beseft dat ze hun aantrekkingskracht hebben verloren, maar waar je uit oude gewoonte nog wel toe geneigd bent. Je voedt of ‘bemint’ deze geneigdheden niet meer. Hierdoor verliezen ze hun soliditeit en beheersen ze je niet langer.
In die onbevangen staat, wanneer je je onthecht hebt van je geneigdheden, kan de Geest waaien waar Hij wil en wordt het mogelijk om – in de woorden van Willem van Saint Thierry – ‘het hoogste goed’, God, te aanschouwen. 

Wederzijdse penetratie
In zijn Gulden Brief schrijft Willem van Saint-Thierry dat het ‘onmogelijk is om het hoogste goed te schouwen zonder het lief te hebben’. Wanneer de mens volledig doordrongen is van het besef dat hij een instrument is van dit hoogste goed, van God, dan ís hij liefde, aldus Willem. Dan verenigt de geest van de mens zich met de Geest van God en wordt hij God. Een voetnoot vult aan: ‘Op dit niveau is er een voortdurend groeiende participatie aan het liefdevolle bestaan van God. Er is sprake van een wederzijdse penetratie van God en mens.’
Willem: ‘Hierbij wordt de mens één met God, één geest, niet enkel door de eenheid die ontstaat door het te willen, maar sterker nog door de ware en meer manifeste kracht van niets anders meer te kunnen willen (…) Hier spreekt men van eenheid van geest, niet alleen omdat de Heilige Geest dit effectief bewerkt, of de menselijke geest daar affectief naartoe trekt, maar omdat dit de Heilige Geest zelf is, de God die caritas-liefde is.’
Willem beschrijft God hier als ‘het pure zijn waarin geen verdeeldheid is.’ Er is sprake van een wederzijdse penetratie in het pure zijn waarin geen aparte delen te vinden zijn. We kunnen met recht spreken van een mystieke eenwording die in principe niemand uitsluit. 

Ingetrokken in God
De hier aangekomen contemplatieve mens is, aldus Willem van Saint-Thierry, ‘ingetrokken in God’, in de eenheid die God is. Hier vindt de in God ingetrokken mens ‘de volkomenheid van de ware wijsheid van de mens, waarbij alle deugden in die wijsheid omhelst en omvat worden, en niet langer ontspringen uit een vreemde bron. Ze zijn die mens als het ware van nature aangeboren, waardoor hij de gelijkenis met God benadert.’ Nu zijn de deugden niet langer van buitenaf opgelegd, maar het spontane, liefdevolle gevolg van de mystieke eenwording.
Willem vervolgt: ‘Door die gelijkenis is de mens wat hij is, zoals God is wat Hij is, en zo kan die goede mens op geen enkele manier nog losgemaakt worden van wat hij wezenlijk is. ‘Het goede is nu een zijnskwaliteit geworden, ingebed in het zijn van Hem die is. Aldus is die mens in God ingetrokken,’ aldus de vertalers. 

Het eeuwig bestaande
Zo schetst Willem van Saint-Thierry een ontwikkelingsweg die begint met oprecht zelfonderzoek en die eindigt bij de mystieke eenwording in God als ‘de opperste essentie waaruit alle zijn vertrekt; Hij is de opperste substantie die niet onderhevig is aan de concepten van de taal; Hij is het eeuwig bestaande en oorzakelijke principe van alle dingen. In Hem sterft ons wezen niet; in Hem kan ons inzicht niet dwalen; in Hem voelt onze liefde zich nooit gekrenkt. Hij wordt steeds opnieuw gezocht om des te zoeter te worden gevonden. Op zeer zoete wijze laat Hij zich vinden, om daarna opnieuw met nog meer aandacht te worden gezocht.’
Blijkbaar is deze ontwikkelingsweg geen lineair gegeven, maar eerder een voortdurend in- en uitgaan, terwijl er ten diepste geen sprake is van in- en uitgaan, omdat God het pure zijn is waarin geen verdeeldheid is. Pas als we de weg terug naar eenwording gaan, wordt duidelijk dat juist het gevoel van afgescheidenheid de illusie was.



 * Uit: Willem van Saint-Thierry,
GodsliefdeMeditaties, Gulden Brief, Leven van Bernardus. Vertaling, inleiding en annotatie: Paul Verdeyen s.j. en Guerric Aerden ocso, uitgeverij Damon. Het citaat komt uit de Gulden Brief, blz. 235 in deze uitgave.